Terug naar vorige pagina

Aarzelende ECB moet beleid herzien

Nu de Bank of England voor de tweede keer de rente verlaagd heeft, en het IMF zich voegt in het koor dat de ECB oproept dit voorbeeld te volgen, bevindt de ECB zich duidelijk weer in het defensief.

Nadat de markt zich voor de ECB-vergadering van afgelopen donderdag al had ingesteld op een rente-verlaging, na wat op vooraankondigingen daarvoor leken van hoofdeconoom Issing van de ECB en van Banque de France president Trichet, moest dezelfde Trichet de ongebruikelijke stap nemen om het voorlopig uitblijven van zo’n renteverlaging op een Frans-Duitse top aan te kondigen door te melden dat de ECB vasthoudt aan haar kat-uit-de-boom-kijkhouding.

De ECB lijkt hiermee steeds meer het slachtoffer te worden van een zelfopgelegd dwangbuis. Doordat zij de inflatie-bandbreedte (het mag van haar geen "doelstelling" heten) in historisch čn vergelijkend perspectief extreem laag heeft gekozen (0 - 2 %; de Bank of England heeft een symmetrische doelstelling van 2˝ % + 1%; de Amerikaanse Fed heeft zelfs helemaal geen inflatie-doelstelling, en blijkt geen enkele moeite te hebben om bij een inflatie van 3˝ % de rente in 3 maanden met 1˝ % te verlagen) is haar beleidsruimte om nu bij snel neerwaarts bijgestelde groeiprognoses de rente te verlagen gering.

Ook haar onrealistisch lage geldgroei-doelstelling ("referentie-waarde"), gebaseerd op een te laag ingeschat groeipotentieel van de euro-economie, belemmert haar mogelijkheden tot tijdig anti-cyclisch optreden.

Desalniettemin is het al een hele opluchting dat de ECB toch een excuus bij de hand heeft en gebruikt om, ondanks dat de inflatie de bandbreedte overschrijdt, de rente niet te verhogen. De inflatie moet namelijk wel binnen de 0 –2 % bandbreedte blijven, maar alleen op middellange termijn. Of zoals de ECB het zelf verwoordt, zij voert een vooruitziend beleid. Omdat monetaire beleidsbeslissingen met de vertraging doorwerken in de reeële economie, gaat de ECB ervanuit dat het anderhalf jaar duurt voordat een rentebesluit zich volledig doet voelen in de economie. Daarom moet zij anderhalf jaar vooruit kijken. Helaas zijn weinig dingen moeilijker dan de economie anderhalf jaar vooruit voorspellen. De ECB kan dan ook weinig anders doen dan de huidige trends extrapoleren en de risico’s in kaart brengen en evalueren.

De forse renteverlagingen van de Fed van dit jaar, aanvankelijk met gejuich ontvangen, werpen dan ook twijfels op over de timing: misschien waren ze wel zo fors, omdat ze eigenlijk te laat waren.

Precies hetzelfde gevaar bedreigt de ECB. Het door haar aanvankelijk terecht geventileerde optimisme over de europese economie lijkt nu bij aanzwellende signalen van een sterkere afkoeling dan verwacht steeds meer op een excuus voor inactiviteit.

Door de in het Verdrag geformuleerde tweede beleidsdoelstelling van de ECB, het ondersteunen van de economie, is de ECB namelijk wel degelijk verplicht in actie te komen, al mag dat de inflatie niet te hoog opdrijven.

Paradoxaal genoeg helpt het aarzelende beleid van de ECB via een omweg toch de europese economie. Door de twijfel over de blijvende kracht van deze economie en de uitblijvende monetaire steun ervoor, verzwakt tegen alle verwachtingen in de euro. Dat geeft m.n. de zwakste economieën in de eurozone, die van Duitsland en Italië, weer wat lucht.

Hoewel te lang aarzelen door de ECB nu dus nauwelijks schadelijk is, is het aarzelen zelf natuurlijk wel problematisch. Gezien de tegenstrijdige uitspraken van haar leden aan de vooravond van de laatste ECB vergadering is het symptomatisch voor een ingebouwde zwakte van de ECB, namelijk haar sterk decentrale karakter. De directie, die het beleid voorbereidt, bestaat immers uit 6 leden, de overige leden van de Raad van Bestuur, de presidenten van de aangesloten nationale banken, vormen de overige 12 leden. Deze samenstelling betekent, dat de directie met haar president Duisenberg altijd in een minderheidspositie verkeert, waardoor Duisenberg van het begin af aan voor een concensus-gerichte benadering heeft gekozen in plaats van het in de Raad van Bestuur op stemmingen aan te laten komen.

Het nadeel van zo’n (noodgedwongen) concensus-benadering is de beperkte invloed van de centrale directie en de traagheid als het op beleidswijzigingen (rente-verandering) aankomt. De door de ECB zelf (terecht) aangekaarte discussie over de stemverhoudingen in het ECB-bestuur nŕ de uitbreiding geeft aan dat zij dit probleem zelf ook onderkent.

Oplossing ervan, door een roulatie-systeem voor de vertegenwoordigers van de nationale centrale banken in te stellen, kan eigenlijk niet eens wachten tot de eerste nieuwe lidstaten zich voor de eurozone aanmelden: dat kan namelijk nog wel eens heel wat langer duren dan de toetreding zelf. Voor lidmaatschap van de eurozone moeten zij namelijk aan de convergentie-criteria voldoen, voor toetreding tot de EU zelf niet. En het probleem van de besluiteloosheid van de ECB begint nu al te klemmen.

Ondanks mijn kritiek, vind ik dat de ECB het totnutoe niet slecht heeft gedaan. Haar zwaktes, zowel beleidsmatig als qua structuur, beginnen zich echter steeds meer te manifesteren.

Van een ECB die zichzelf heeft opgelegd "vooruitziend" te zijn, mag gevraagd worden deze zwaktes met enige urgentie aan te gaan pakken.

Alman Metten

Voormalig europarlementariër; leidt nu economisch adviesburo Metten EU Consulting bv